Klederdracht in West-Zeeuws-Vlaanderen

óór 1800 droeg men in Zeeland een bijna gelijke Zeeuwse dracht. Het vrouwenkostuum bestond meestal uit een aantal rokken, soms een onderbroek (het zgn. open gerei/gerief), een borstrok, een jakje, een beuk (een vierkant stuk stof dat op de rug en de borst gedragen werd), een doek, een ondermuts, een oorijzer en een bovenmuts. De mannen hielden zich bij de combinatie van een klepbroek met pijpen tot net over de knie, boezeroen (een soort kiel), vest en rok (mannenjas). Op het hoofd ging een zwarte hoed van verschillend model.

Vanaf 1800 ontstonden regionale verschillen in de kleding van de Zeeuwse plattelandsbevolking. In het westen van Zeeuws-Vlaanderen ontstond een streekdracht die aanzienlijk afweek van hetgeen elders in Zeeland werd gedragen. De zwarte kornetmuts van de vrouwen was kenmerkend voor de Cadzandse dracht. Dit werd daarna een witte muts. Kenmerkend is ook de combinatie van een rok en een mantel met aan de onderzijde een lange schoot. Deze combinatie is afgeleid van de burgermode. Die kornetmuts gaf veel werk als hij gewassen moest worden. Hij werd gesteven in suikerwater en gestreken met speciale ijzers, die op de kachel opgewarmd werden. Er werd daarna een speciaal draadwerk, karkas, tegen de binnenkant van de kornetmuts bevestigd om er model in te krijgen. Vandaar de Cadzandse naam "karrekassemuts".

Op de foto van links naar rechts :
Catharina Janneke, roepnaam Cato, de Bert,
Catharina Maria, roepnaam Cato, Dirkx (dochter van
Pieter Dirkx en Catharina Maria de Hullu) én

een onbekende NN.

Onder : Catharina Maria de Hullu.

Begin 1800 was de streekdracht van toen kleurig. Eerst nog erg fleurig en kleurig, maar in de loop van de jaren versoberde de kleur en rond 1900 zag men voornamelijk een zwarte klederdracht, met hier en daar een donkerblauwe, groene of bruine mantel ertussen. De reden kan zijn dat er rond 1870 een zwarte verfstof is uitgevonden, waardoor het voor veel mensen binnen bereik kwam. Voordien was zwarte kleding alleen mogelijk voor de rijke mensen.

De Cadzandse dracht van na 1850 is een eenvoudige dracht met meerdere varianten. Er is middagdracht en zondagse kleding. Als er gewerkt moest worden, droegen mensen kleren van goedkope, maar sterke stof. Of zij droegen versleten kledingstukken verder af. Rijkere vrouwen hadden middagdracht. Dat was nette kleding die ’s middags werd aangetrokken, als het werk voor die dag was gedaan. De mooiste kleding en sieraden werden bewaard voor de kerkgang op zondag. Deze kleding was bedoeld om mee te pronken. Het Cadzandse werkgoed aantrekken kostte een halfuurtje. Bij de zondagse dracht kon het makkelijk drie kwartier duren voordat alles aan was.

Kinderen gingen vanaf hun 4de of 5de jaar dezelfde soort kleding als volwassenen dragen. Alleen de mutsen van de meisjes waren aangepast. Het moment waarop de meisjes de volwassen muts met aanverwante sieraden mochten gaan dragen, markeerde de overgang van kindertijd naar volwassenheid. In de meeste drachten lag dat moment rond het 12de of 14de levensjaar.

In tegenstelling tot de moderne tijd mochten dames in Cadzandse streekdracht niet slank, maar stevig zijn. Iedereen kon dan zien dat je genoeg te eten had; je was niet arm! Toen vond men dat mooi! Door de vele rokken word je vanzelf ronder. Dat waren vier of soms wel vijf rokken! Steeds meer mannen in West-Zeeuws-Vlaanderen legden na 1850 het streekdrachtkostuum af. Ze droegen na 1900 geen klederdracht meer. Vanaf de Eerste Wereldoorlog verdween ook de Cadzandse vrouwendracht geleidelijk uit het straatbeeld. In 1965 droegen nog 85 (oudere) vrouwen de Cadzandse dracht. De meesten van hen woonden in Nieuwvliet, Cadzand, Schoondijke en Groede.

BRON : www.cadzandgeschiedenis.nl/images1400-1900/1800streekdracht.html

De “Stichting Cadzandse Dracht” verzamelt en exposeert Cadzandse kleding en informatie uit die tijd. Het museum "De Karrekasse" in Nieuwvliet is ingericht als een woning uit 1900. Ook "De Kiekdôôze" naast de kerk in Cadzand is zeker een bezoek waard!